De puzzelstukjes van een depressie

Facebooktwitterlinkedinmail

17 februari 2024 – Waarom ontwikkelt de een wél een depressieve stoornis, en de ander niet? Dat is de vraag die Hanna van Loo dagelijks bezighoudt. Nu is ze bezig met onderzoek dat de rol van genen en omgevingsfactoren in een depressie belicht. ‘Het is niet zo dat er één depressie-gen is. Maar er zijn veel genen die bijdragen aan een verhoogd risico op depressie.’

Depressieve stoornis
Wanneer depressieve klachten zoals somberheid, interesseverlies en gevoelens van waardeloosheid langer dan twee weken iemands leven beheersen spreken medici van een depressieve stoornis. Er bestaat niet een doorsnee patiënt met depressie. De oorzaak kan liggen in een aangrijpende gebeurtenis, een trauma uit het verleden of bijvoorbeeld een andere stoornis zoals autisme wat eenzaamheid en een depressie in de hand kan werken. Van Loo, die psychiater, universitair docent en onderzoeker bij het UMCG is, probeert per persoon zo goed mogelijk te begrijpen hoe de depressie is ontstaan. Dat biedt aanknopingspunten om ze op te lossen. Daarbij worden ook externe factoren als relaties, werk en de thuissituatie meegenomen in de diagnose.

“Kan het zo zijn dat een ouder met een genetische kwetsbaarheid minder beschikbaar was tijdens de opvoeding, waardoor een kind meer risico heeft een depressie te ontwikkelen? Dat zou ik graag willen weten.”

Genen en omgeving
Momenteel richt Van Loo zich ook op genetische kwetsbaarheid. Sommige mensen hebben relatief veel genen die bijdragen aan een verhoogd risico op depressie en anderen minder. Maar daarmee is nog niet gezegd dat mensen met meer van die genen dus altijd een depressieve stoornis ontwikkelen. Omdat het risico voor een groot deel ook niet in je genen zit, maar je omgeving van invloed is. Van Loo: ‘Op de polikliniek doen we nog geen onderzoek naar genen, maar we vragen wel naar familiegeschiedenis qua psychiatrische aandoeningen. Dat kan ook een bipolaire stoornis, schizofrenie of verslaving zijn. Ik kijk in mijn onderzoek of genen behalve een direct effect ook een indirect effect hebben, namelijk via de omgeving. Kan het zo zijn dat een ouder met een genetische kwetsbaarheid minder beschikbaar was tijdens de opvoeding, waardoor een kind meer risico heeft een depressie te ontwikkelen? Dat zou ik graag willen weten. Het is dus ook puzzelen om te kijken wat dat samenspel is, want het is nooit alleen de genen of alleen de omgeving. Dat maakt het heel interessant onderzoek.’

Complexe aandoening
Van Loo: ‘Wat typisch is voor patiënten met depressie is dat ze somber gaan denken: dit gaat nooit meer over, niks helpt mij. Ik ben waardeloos. Dus dan moet je mensen een drempel overkrijgen om vertrouwen te hebben in de behandeling. Hun plezier en stemming komen terug, maar niet meteen, dat heeft tijd nodig. Dus het is belangrijk om mensen daarbij goed te coachen.’ Dat is ook wat haar fascineert in het werk, omdat het een complexe aandoening is. Het is nooit simpel. Ze ziet mensen van jong tot oud, van geslaagd in het leven tot economisch achtergesteld. Iemand kan in een depressie raken vanwege werkdruk, prestatiedrang of vanwege aanhoudende geldzorgen en daaruit voortvloeiende stress. Van Loo probeert de leefwereld van de patiënt te doorgronden maar wil ook dat de patiënt het begrijpt, om zo samen te werken aan een oplossing.

“Op termijn leidt het genen- en omgevingsonderzoek mogelijk naar preciezere tests om erachter te komen waardoor een bepaalde persoon in een depressie terecht is gekomen.”

Lifelines
Ze put uit de rijke hoeveelheid data van het Lifelines onderzoek in Noord-Nederland. ‘Het doel van Lifelines is om te snappen wie kans heeft om op termijn chronische en complexe aandoeningen te ontwikkelen, zoals depressie. Tijdens de coronapandemie konden we bijvoorbeeld onder de Lifelines-deelnemers gedurende langere tijd meten hoe het met hun gemoedstoestand stond,’ vertelt Van Loo, ‘zo zagen we dat eenzaamheid tijdens lockdown-periodes een depressie in de hand kon werken.’ Ook voor haar onderzoek naar de relatie tussen genen en depressie biedt Lifelines een schat aan informatie.

‘We hebben een geanonimiseerde database met de genen van bijna alle deelnemers en kunnen kijken aan de hand van vragenlijsten en onderzoeken of er verbanden zijn met de ontwikkeling van hun mentale gezondheid over de jaren. Mogelijk kunnen we daardoor in een eerder stadium van een behandeling beter snappen wie we voor ons hebben. Uiteindelijk willen we een depressie vroegtijdig signaleren, en kijken bij wie er een intensiever traject ingezet moet worden. Of juist bij een andere patiënt de tijd zijn werk laten doen en niet gelijk met medicatie beginnen. Op termijn leidt het genen- en omgevingsonderzoek mogelijk naar preciezere tests om erachter te komen waardoor een bepaalde persoon in een depressie terecht is gekomen.’

“Psychiaters proberen mensen echt te leren kennen. Dat is cruciaal om zo goed mogelijk te begrijpen hoe iemand in elkaar zit en een passende behandeling te vinden.”

De mens centraal
Van Loo werkt graag met mensen en kijkt daarbij naar wat iemands leven waardevol en belangrijk maakt. ‘Je ziet dat veel psychiaters blijven werken tot hun pensioenleeftijd en misschien nog wel daarna omdat elk mens die je spreekt interessant en boeiend blijft,’ vertelt ze,’ en dat is misschien anders als je een arts bent die telkens dezelfde klacht binnenkrijgt. Wij proberen mensen echt te leren kennen. Dat is cruciaal om zo goed mogelijk te begrijpen hoe iemand in elkaar zit en een passende behandeling te vinden.’ Het geeft haar daarnaast veel voldoening om te werken in een multidisciplinair team. Haar collega’s kijken elk vanuit hun eigen specialisme naar een patiënt waardoor een zo duidelijk mogelijke diagnose kan worden gesteld. Van Loo: ‘Op die manier kunnen we in de toekomst depressie nog beter behandelen en misschien voorkomen.’

Meer informatie
Hanna van Loo

Bron: rug.nl 

Dit bericht is 1093 keer gelezen.

Facebooktwitterlinkedinmail