Kans op langdurige rouwstoornis bij vermissing lijkt vijf keer groter dan bij natuurlijk overlijden

Facebooktwitterlinkedinmail
18 mei 2018 – Vermissing van een dierbare leidt in ongeveer de helft van de gevallen tot langdurige psychologische klachten bij achterblijvers. De kans op ontstaan van een langdurige rouwstoornis bij vermissing lijkt vijf keer groter dan na een natuurlijk overlijden van een dierbare. Kenmerkend is de aanhoudende onzekerheid voor achterblijvers. Dat blijkt uit onderzoek van promovenda Lonneke Lenferink, dat werd gefinancierd door het Fonds Slachtofferhulp.  
Lenferink bestudeerde psychologische effecten op 137 achterblijvende verwanten bij langdurige vermissing in Nederland en België. Het is het eerste grote onderzoek naar de psychologische effecten van vermissing die niet wordt veroorzaakt door oorlog of politieke onderdrukking. Lenferink promoveert op 24 mei aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Aantal langdurige vermissingen onduidelijk
In Nederland worden gemiddeld tachtig mensen per dag opgegeven als vermist. Het leeuwendeel van die meldingen wordt binnen 48 uur opgelost. In ongeveer honderd gevallen per jaar is er sprake van langdurige vermissing zonder een duidelijke verklaring. Niet altijd stelt de politie een onderzoek in, bijvoorbeeld bij aanwijzingen dat mensen vrijwillig verdwijnen. Lenferink: ‘Mede door de manier waarop onze systemen verdwijning registeren weten we niet precies hoe groot het aantal langdurige vermissingen echt is.’
Vergeten groep achterblijvers
Het aantal achterblijvers is een veelvoud van het aantal vermisten en betreft volgens Lenferink een vergeten groep. Ze benadrukt dat de term achterblijvers bewust is gekozen. ‘Je kunt deze mensen geen nabestaanden noemen, dan doe je een uitspraak over wat er is gebeurd en dat is nu juist onduidelijk.’ Deze achterblijvers worden behalve emotioneel vaak ook financieel of juridisch geconfronteerd met tal van gevolgen van de vermissing.
Behandeling van ambigu verlies
Lenferink keek eerst naar de impact van ambigu verlies: een dierbare is fysiek afwezig maar psychisch aanwezig. Vervolgens onderscheidde ze factoren die samenhangen met de manier waarop achterblijvers omgaan met de verdwijning en geschikt lijken voor beïnvloeding door bijvoorbeeld therapie. Tenslotte stelde ze de haalbaarheid en mogelijke effectiviteit vast van cognitieve gedragstherapie met elementen van mindfulness voor het verminderen van psychische klachten in een pilotstudie.
Kans op langdurige rouwstoornis
Er zijn aanwijzingen dat het rouwproces bij verdwijningen verschilt van dat na een overlijden van een dierbare, zegt Lenferink. Klachten zoals piekeren of depressie kunnen bijvoorbeeld langdurig aanhouden wanneer achterblijvers bezig blijven met de omstandigheden waarin iemand vermoedelijk vermist is geraakt. Een interviewstudie onder achterblijvers zonder langdurige psychische klachten onderstreepte het belang van een effectieve omgang met de aanhoudende onzekerheid.
Suggesties voor behandeling
Op basis van haar onderzoek is Lenferink betrokken bij de ontwikkeling van methodes om langdurige rouwklachten te behandelen. Te denken valt dan aan bijvoorbeeld cognitieve gedragstherapie in combinatie met elementen van mindfulness. Lenferink benadrukt evenwel dat het gaat om een nog weinig onderzocht terrein en dat meer internationaal onderzoek hard nodig is om met meer zekerheid uitspraken te doen over mogelijke effectieve behandelmethoden voor achterblijvers na vermissing.

Psychologe Lonneke Lenferink promoveert op 24 mei op het proefschrift The disappearance of a significant other: Consequences and care. Promotoren zijn prof.dr. Jos de Keijser (Rijksuniversiteit Groningen), prof.dr. Paul Boelen (Universiteit Utrecht en Arq Pschotrauma Expert Groep) en dr. Ineke Wessel (Rijksuniversiteit Groningen).

Bron: persbericht

Dit bericht is 482 keer gelezen.

Facebooktwitterlinkedinmail