Nieuwe inzichten in rol genetica bij antisociaal gedrag

Facebooktwitterlinkedinmail

26 oktober 2022 – Antisociaal gedrag kan deels door genetisch verschillen worden verklaard. Onlangs zijn de eerste aanwijzingen gevonden voor welke genen dit zijn. Een internationaal samenwerkingsverband van 83 wetenschappers, geleid door de Vrije Universiteit Amsterdam, onderzocht het DNA van ruim 85.000 deelnemers om te achterhalen welke genetische invloeden er bestaan op antisociaal gedrag.

Antisociaal gedrag wordt in deze studie gezien als een verzamelterm voor het overtreden van regels zoals stelen, vernieling, agressie en ander destructief gedrag. De onderzoekers ontdekten dat de effecten van individuele genen op antisociaal gedrag heel klein zijn. Toch verklaart het gezamenlijke effect van alle genen wel een deel van de variatie hierin. De resultaten van het onderzoek, geleid door Jorim Tielbeek van de VU, zijn gepubliceerd in het toonaangevend wetenschappelijke tijdschrift Molecular Psychiatry.

Verband met hersenontwikkeling
Jorim Tielbeek legt uit: “Hoewel het effect klein is, vinden we een verband met het zogenaamde FOXP2 gen. Dat is een gen dat betrokken is bij meerdere aspecten van de hersenontwikkeling.” De studie maakt gebruik van onafhankelijke steekproeven in de Verenigde Staten, Canada en het Verenigd Koninkrijk, waarbij deelnemers vrijwillig DNA afstaan en vragenlijsten invullen over antisociaal gedrag. Dankzij deze internationale opzet laat deze studie zien dat het genetische risico voor antisociaal gedrag in de ene steekproef ook naar voren komt in andere delen van de wereld en daar samenhangt met verschillende antisociale uitkomsten, zoals officiële strafrechtelijke veroordelingen en de diagnose van een gedragsstoornis.

Samenhang met gezondheid
Daarnaast blijkt uit de studie dat dezelfde genen die antisociaal gedrag beïnvloeden negatief samenhangen met iemands mentale (depressie, slapeloosheid) en fysieke (overgewicht, roken) gezondheid. De gevonden risicogenen kunnen in vervolgonderzoek gebruikt worden om de werking van de hersenen beter te begrijpen. Deze kennis kan uiteindelijk bijdragen aan een betere behandeling van antisociaal gedrag.

Toekomstig onderzoek
De onderzoekers noemen als beperking van deze studie dat alleen is gekeken naar genetische varianten die redelijk vaak (vaker dan 1 procent) voorkomen in individuen van Europese afkomst. Het is mogelijk dat binnen andere etniciteiten weer andere genen een belangrijke rol spelen bij antisociaal gedrag. Door een eurocentrische bias in de wetenschap zijn deze groepen echter onderbelicht. Tielbeek: “De eurocentrische visie heeft geleid tot minder verzamelde gegevens in niet-Europese deelnemers, wat betekent dat de vooruitgang van de wetenschap uiteindelijk slechts een deel van de wereldbevolking bereikt.” In toekomstig onderzoek zullen Tielbeek en collegae zich dan ook nadrukkelijk richten op een diverse groep deelnemers, waarbij tevens naar zeldzamere genetische varianten wordt gekeken. De huidige resultaten laten bovendien zien dat hoe groter de studie is, hoe groter de kans dat er nieuwe risicogenen geïdentificeerd worden. Er zijn dus altijd nog grotere steekproeven (met miljoenen deelnemers) nodig om alle risicogenen voor het antisociale gedrag te vinden.

Omgevingsfactoren
De studie is een belangrijke stap in het begrijpen van genetica bij antisociaal gedrag. Tielbeek benadrukt dat deze resultaten slechts één kant van het verhaal belichten: “De omgeving van een persoon is minstens zo belangrijk. De genetica kan hier slechts een deel in verklaren, uiteindelijk is het de combinatie van genen en omgeving die samen het risico kunnen verhogen. Het hebben van risico-genen is dus niet bepalend voor het ontwikkelen van antisociaal gedrag. Toekomstig onderzoek zal meer inzicht moeten bieden in hoe risicogenen en omgevingsfactoren in interactie bijdragen aan een antisociale ontwikkeling”, aldus Tielbeek.

Bron: vu.nl

Dit bericht is 387 keer gelezen.

Facebooktwitterlinkedinmail