10 september 2026 – Bij zowel een obsessieve-compulsieve stoornis (OCS) als anorexia nervosa (AN) zijn in eerder onderzoek problemen met cognitieve flexibiliteit gevonden. Maar gelden die problemen voor alle patiënten? En kan het verbeteren van cognitieve flexibiliteit bijdragen aan betere behandeluitkomsten? Boris van Passel onderzocht deze vragen in zijn proefschrift Beyond Rigidity: Navigating Flexibility in Eating Disorders and Obsessive-Compulsive Disorder. Hij promoveerde op 3 september 2026, zo meldt het Nederlands Kenniscentrum Angst, Dwang en Depressie.
OCS en anorexia nervosa worden als afzonderlijke stoornissen geclassificeerd, maar vertonen ook overeenkomsten. Zo kunnen bij beide intrusieve gedachten, dwangmatige gedragingen en rigide gedragspatronen voorkomen. Ook zijn bij beide stoornissen beperkingen beschreven in executieve functies, waaronder cognitieve flexibiliteit: het vermogen om gedachten of gedrag aan te passen wanneer omstandigheden veranderen.
Van Passel onderzocht vanuit een transdiagnostisch perspectief in hoeverre cognitieve flexibiliteit een gedeeld kenmerk is van OCS en AN. Daarnaast onderzocht hij of Cognitieve Remediatie Therapie (CRT), gericht op onder meer flexibiliteit en informatieverwerking, een zinvolle aanvulling kan zijn op de reguliere behandeling.
Rigiditeit geldt niet voor iedereen
Uit het onderzoek blijkt dat mensen met OCS en AN als groep op sommige cognitieve taken inderdaad minder efficiënt presteren dan mensen zonder deze stoornissen. Maar achter die gemiddelden gaan grote individuele verschillen schuil.
Op twee taken voor cognitieve flexibiliteit behoorde ongeveer 60 procent van de patiënten tot een groep zonder duidelijke rigiditeit. Slechts een kleine minderheid liet een sterk rigide profiel zien. Cognitieve inflexibiliteit lijkt daarmee geen algemeen kenmerk van OCS of AN, maar iets wat vooral bij bepaalde subgroepen voorkomt.
Daarnaast bleken uitkomsten van neuropsychologische tests nauwelijks samen te hangen met hoe patiënten hun eigen flexibiliteit in het dagelijks leven ervaren. Een test in een gecontroleerde, emotioneel neutrale situatie meet mogelijk iets anders dan het vermogen om flexibel te reageren wanneer iemand bijvoorbeeld geconfronteerd wordt met dwanggedachten, eetregels of stress.
Geen extra effect van cognitieve remediatietherapie
Een belangrijk onderdeel van het proefschrift was een gerandomiseerde studie naar Cognitieve Remediatie Therapie (CRT). Deze kortdurende interventie bestaat uit oefeningen die onder andere zijn gericht op cognitieve flexibiliteit en informatieverwerking. De gedachte was dat patiënten door CRT eerst flexibeler zouden leren denken en daardoor vervolgens meer zouden profiteren van hun reguliere behandeling.
In de studie kregen 71 patiënten met OCS en 61 patiënten met AN tien sessies CRT óf een actieve controlebehandeling, gevolgd door de gebruikelijke behandeling.
CRT bleek echter geen betere behandeluitkomsten op te leveren dan de controlebehandeling. Ook werd niet aangetoond dat verbetering van cognitieve flexibiliteit leidde tot een sterkere afname van symptomen. Volgens het proefschrift is er daarom op dit moment geen aanleiding om CRT standaard toe te voegen aan de behandeling van OCS of AN.
Controlebehandeling levert onverwachte bevinding op
Opvallend was juist het resultaat van de controleconditie: Specialistische Aandachtstherapie (SAT). Deze interventie bestond uit eenvoudige, gestructureerde en positief geformuleerde activiteiten en was oorspronkelijk bedoeld als niet-specifieke vergelijking met CRT.
Bij patiënten met OCS was de afname van symptomen na SAT plus reguliere behandeling zelfs groter dan na CRT plus reguliere behandeling. Een mogelijke verklaring is dat activiteiten gericht op plezier, positieve ervaringen en betrokkenheid bij het dagelijks leven patiënten kunnen helpen om hun aandacht te verbreden en zich beter op verdere behandeling voor te bereiden.
Deze bevinding is voorlopig en moet worden gerepliceerd. Volgens Van Passel is verder onderzoek naar de mogelijke werkzame elementen van SAT, zoals gedragsactivatie, motivatie, sociale betrokkenheid en positieve bekrachtiging, wel de moeite waard.
Eetstoornis voorspelt geen ongunstiger beloop van OCS
Van Passel onderzocht ook het langetermijnbeloop van OCS bij patiënten met en zonder een bijkomende eetstoornis. Hiervoor werden 382 patiënten met OCS gedurende zes jaar gevolgd. Van hen voldeden 46 patiënten op enig moment in hun leven aan de criteria voor een eetstoornis.
Patiënten met zowel OCS als een eetstoornis hadden bij aanvang ernstigere OCS-, depressieve en angstklachten en meer psychiatrische comorbiditeit dan patiënten zonder eetstoornis. Toch waren er over de zes jaar geen significante verschillen in het verloop van de OCS-symptomen tussen beide groepen. Beide groepen lieten vooral in de eerste twee jaar verbetering zien en hun ontwikkeling verliep vervolgens parallel.
Volgens Van Passel betekent de aanwezigheid van een eetstoornis daarmee niet automatisch dat de OCS op langere termijn ongunstiger verloopt. De hogere ziektelast bij aanvang vraagt wel om aandacht voor de klinische complexiteit.
Meer oog voor verschillen tussen patiënten
De resultaten pleiten volgens Van Passel voor minder ‘one-size-fits-all’ en meer aandacht voor individuele verschillen. Niet iedere patiënt met OCS of AN heeft dezelfde cognitieve kwetsbaarheden, en een behandeling die voor iedereen op hetzelfde veronderstelde mechanisme aangrijpt, ligt daarom niet vanzelfsprekend voor de hand.
Toekomstig onderzoek zou zich meer moeten richten op het vaststellen welke cognitieve, emotionele of gedragsmatige processen bij een individuele patiënt daadwerkelijk een rol spelen. Ook zijn meetmethoden nodig die beter aansluiten bij flexibiliteit in het dagelijks leven.
Daarmee verschuift de vraag van “Hoe maken we patiënten met OCS of anorexia cognitief flexibeler?” naar een fundamentelere vraag: “Voor welke patiënten is cognitieve inflexibiliteit werkelijk een probleem, en waarop kunnen we de behandeling voor hen het beste richten?”
Bron: nedkad.nl
Dit bericht is 3 keer gelezen.