Verzamelen mag, hamsteren is een ziekte: Hoarding Disorder

Facebooktwitterlinkedinmail

hoarding-1-300x200

Eén van de nieuwe diagnoses in the Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, fifth edition (DSM-5) is hoarding disorder (‘verzamelstoornis’). Het belangrijkste verschijnsel bij deze diagnose is persisterende moeilijkheden met weggooien van bezittingen.

De prevalentie in de algemene bevolking wordt rond de 1.5% geschat. In the New England Journal of Medicine verscheen een ‘clinical practice’ artikel over deze nieuwe diagnose. Nee, niet meteen uw vingerhoedjes / bierdopjes / theepotten / Freud-parafernalia / olifantjes verzameling verstoppen! Hoewel normale verzamelaars ook vrij excentriek kunnen zijn, is er meestal anamnestisch goed onderscheid te maken, voor meer info klik hier. Het verschil met gewone verzamelaars (de meeste kinderen en zo’n 30% van de volwassen bevolking) is dat hoarding disorder stress en conflict veroorzaakt, en ook tot gevaren voor gezondheid, brand of psychische gezondheid van derden kan leiden. Bij verzamelaars daarentegen is er sprake van plezier en structuur en is het verzamelen vaak een sociale activiteit.

In klinische populaties heeft 75% van de personen met een verzamelstoornis een co-morbide angst- of stemmingsstoornis. Het beloop is vaak chronisch en progressief. De oorzaak is onbekend, maar er zijn aanwijzingen dat het erfelijk is en ongeveer 50% bepaald wordt door genetische factoren. En is het voor het overige deel dan, zoals veel werd gedacht, soms de ‘schuld’ van een ‘niet goed genoege’ moeder? Bij een cross-sectionele studie lijkt vroege maternale deprivatie niet een predisponerende factor voor een verzamelstoornis, wél lijkt er sprake van meer traumatische levensgebeurtenissen vergeleken met patiënten met een obsessief-compulsieve stoornis (longitudinale studies ontbreken echter).

DSM-5 criteria Verzamelstoornis (hoofdstuk ‘Obsessieve-compulsieve en verwante stoornissen’)

A. Persisterende moeite bezittingen weg te doen of er afstand van te nemen.
B. Deze moeite komt voort uit een sterke behoefte om voorwerpen te bewaren en uit de lijdensdruk die gepaard gaat met dit wegdoen.
C. Deze moeite om dingen weg te doen leidt tot de verzameling van een grote hoeveelheid bezittingen die in de weg staan en voor zoveel rommel zorgen dat de woonruimten nauwelijks voor hun eigenlijke functie kunnen worden benut.
D. Het verzamelen veroorzaakt lijdensdruk of beperkingen in sociaal of beroepsmatig functioneren of functioneren op andere belangrijke terreinen.
E. Het verzamelen kan niet worden toegeschreven aan een somatische aandoening (zoals CVA of Prader-Willi).
F. Het verzamelen kan niet beter worden verklaard door een andere psychische aandoening (zoals OCD of een depressie).

Patiënten met een verzamelstoornis presenteren zich vaak met andere klachten dan hoarding, dus soms is specifiek vragen naar verzamelwoede of hetero-anamnestische informatie noodzakelijk. Er wordt geadviseerd bij de diagnostiek een huisbezoek te verrichten of te vragen om foto’s van het huis. Naast de kernsymptomen kan gespecificeerd worden of er sprake is van excessieve acquisitie van spullen, bijvoorbeeld meenemen van gratis spullen of heel veel van hetzelfde kopen, waarvan bij 80 – 90 % van de patiënten sprake is. De andere specifier betreft de mate van inzicht.

Differentiaal diagnostisch dient er gedacht te worden aan neurologische aandoeningen (zoals organisch hersenletsel) en psychiatrische stoornissen (zoals autistische stoornis en dementie). Ook is de aanwezigheid van een obsessieve-compulsieve stoornis, waarvan hoarding één van de symptomen kan zijn, een diagnose die de verzamelstoornis kan uitsluiten. In de DSM-IV komt overmatig verzamelen alleen voor als criterium van de obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis. Bij de DSM-IV criteria voor obsessieve-compulsieve stoornis wordt hoarding niet expliciet genoemd als symptoom.

Hoarding is wel één van de items op de Yale-Brown Obsessive Compulsive Scale (Y-BOCS), een scorelijst die gebruikt wordt om het type als de ernst van symptomen te meten. Echter de helft van de patiënten met een verzamelstoornis heeft ‘pure hoarding’ zonder obsessies of compulsies. De andere helft heeft hoarding die wel is gerelateerd aan een obsessief compulsieve stoornis. De patiënten uit deze groepen hebben een verschillend psychopathologisch profiel, zie hier de link voor de studie.

In televisieprogramma’s zijn mensen met een verzamelstoornis graag geziene gasten. Het liefst wordt hij of zij dan aan overweldigende en beangstigende exposure in vivo-therapie blootgesteld, waarbij het hele huis in luttele uurtjes wordt opgeruimd. De behandeling met de meeste evidentie is echter cognitieve gedragstherapie, met o.a. psycho-educatie, uitdagen van dysfunctionele overtuigingen en therapeut-geleid stapsgewijs weggooien van spullen. In een studie bleek dat, ook na 1 jaar follow-up, ongeveer 62% van de behandelde patiënten (sterk) verbeterden. Wat betreft farmacotherapie is het enige beschikbare bewijs afkomstig van een kleine, ongecontroleerde studie, die suggereert dat serotonine heropname remmers (SSRI’s) mogelijk effectief kunnen zijn.

Wat is nu de toegevoegde waarde van deze nieuwe diagnose? Verzamelstoornis werd in de DSM-IV geclassificeerd onder de obsessief-compulsieve stoornis. Het beeld van sterk vervuilende en verzamelende mensen werd echter vaak ook geclassificeerd als een psychotische stoornis, met behandelconsequenties van dien. Deze nieuwe classificatie is verder klinisch relevant omdat hoarding disorder zich onderscheidt van andere obsessief-compulsieve subtypen door het slechte beloop, de moeilijke behandelbaarheid en bereidheid daartoe, door een vaak zeer beperkt tot afwezig inzicht. Zie hier de link voor het artikel.

Referentie: Mataix-Cols D.Clinical practice. Hoarding disorder. N Engl J Med. 2014 May 22;370(21):2023-30.

Bron: dejongepsychiater.nl 

Dit bericht is 50747 keer gelezen.

Facebooktwitterlinkedinmail