Gedwongen hersenscans in strafrecht niet in strijd met mensenrechten

Facebooktwitterlinkedinmail

26 oktober 2021 – Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens sluit de gedwongen inzet van neurotechnologisch ‘hersenlezen’ in het strafrecht niet uit. Adequate rechtsbescherming tegen gedwongen gebruik van bijvoorbeeld MRI- en PET-scans in het strafrecht vergt echter wel specificatie en herwaardering van fundamentele mensenrechten. Dat blijkt uit onderzoek van neurorechtdeskundige Sjors Ligthart. Ligthart promoveert op donderdag 4 november 2021 op dit onderzoek aan Tilburg University.

Technieken om de hersenen in beeld te brengen zoals kernspintomografie (MRI) en positronemissietomografie (PET) maken het mogelijk de structuur en activiteit van iemands brein te onderzoeken. Ook elektro-encefalografie (EEG) is een techniek waarmee hersenactiviteit kan worden gemeten. Dergelijke technieken maken het mogelijk om objectieve informatie te verkrijgen over iemands subjectieve mentale eigenschappen en kunnen een zinvolle bijdrage leveren aan het strafrecht. Zo kan EEG worden gebruikt om hersenactiviteit te meten die verband houdt met de herkenning van een specifieke afbeelding, bijvoorbeeld een foto van het moordwapen. MRI en PET bieden onder meer mogelijkheden voor risicotaxatie. Uit onderzoek blijkt namelijk dat bepaalde hersenkenmerken sterk correleren met antisociaal en agressief gedrag. Dergelijke kenmerken kunnen bijdragen aan het inschatten van recidivegevaar.

Mensenrechten
Verdachten en veroordeelden zullen echter niet altijd vrijwillig meewerken aan een hersenscan. Een belangrijke vraag is daarom of de inzet van gedwongen hersenscans juridisch is toegestaan. Gedwongen toepassing van hersenscans in het strafrecht roept namelijk fundamentele vragen op, onder meer in het licht van Europese mensenrechten. Het gaat daarbij vooral om het verbod op onmenselijke behandeling, het recht op privacy, het recht op vrijheid van gedachte, het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht om niet mee te hoeven werken aan de eigen veroordeling.

Ligthart onderzocht in hoeverre deze mensenrechten de inzet van gedwongen hersenscans in het strafrecht toelaten. Hiervoor maakte hij gebruik van rechtspraak over onderzoeksmethoden met relevante overeenkomsten. Zo keek hij onder meer naar jurisprudentie over DNA-onderzoek en naar de inzet van medische procedures in de opsporing van strafbare feiten.

Fundamentele uitdagingen voor het recht
Hoewel de onderzochte mensenrechten het gebruik van hersenscans in het strafrecht limiteren, sluiten zij de gedwongen inzet ervan niet uit, concludeert Ligthart. Sommige vormen, zoals de hierboven beschreven risicotaxatie en geheugendetectie, zijn toegestaan, ook zonder toestemming van een verdachte of veroordeelde.

Maar de opkomst van neurotechnologisch ‘hersenlezen’ stelt het huidige arsenaal aan mensenrechten wel voor fundamentele uitdagingen, vooral met het oog op de bescherming van verdachten en veroordeelden. De technologie noodzaakt tot specificatie en herinterpretatie van reeds lang bestaande mensenrechten. Met name het recht om niet mee te werken aan de eigen veroordeling vergt een herwaardering, stelt Ligthart, en ook de vrijheid van meningsuiting dient verder te worden ontwikkeld.

Bron: persbericht

 

Dit bericht is 614 keer gelezen.

Facebooktwitterlinkedinmail