Dyslexie: een ‘onderschatte’ stoornis

Facebooktwitterlinkedinmail

26 maart 2024 – Volgens Liset Rouweler hebben zo’n 1000 tot 1500 studenten aan de Rijksuniversiteit te maken met dyslexie. Hoewel het dus veel voorkomt, blijft informatie over dyslexie onder de radar. Studenten weten hierdoor vaak (nog) niet dat ze dyslexie hebben en waar ze terechtkunnen als ze hulp nodig hebben. Het Dyslexiecentrum Groningen probeert deze groep een handje te helpen, onder andere door een nieuw diagnostisch instrument: de Flamingotest.

Rouweler is coördinator van het Groninger Expertisecentrum Taal- en Communicatiestoornissen (GETC) en onderzoeker bij het Dyslexiecentrum Groningen van de RUG. Het Dyslexiecentrum is een nieuwe tak van het expertisecentrum en is sinds 2021 actief. ‘Studenten die een vermoeden hebben van dyslexie of studenten die een verklaring hebben die niet wordt geaccepteerd door de RUG kunnen bij ons terecht om (opnieuw) een dyslexietest te laten doen. In beginsel is het Dyslexiecentrum eigenlijk een centrum gericht op de student, zowel nationaal als internationaal. De prioriteit ligt bij hen en dat zij de ondersteuning krijgen waar zij recht op hebben.’

Erfelijk belast
Rouweler komt zelf uit een familie waar dyslexie veel voorkomt. Ze zag van dichtbij hoe haar familieleden worstelden met lezen en schrijven en begon zich af te vragen hoe dyslexie werkt. Vanuit deze interesse volgde Rouweler een bachelor en master Taalwetenschap en onderzoekt ze nu de leerstoornis bij het Dyslexiecentrum. ‘Dyslexie heeft een aanzienlijke erfelijke component. Als een van jouw ouders dyslexie heeft, heb jij 30 tot 60 procent kans om ook dyslexie te krijgen. Zelfs als je geen dyslexie ontwikkelt, zijn er in die situatie vaak vaardigheden die moeilijker blijven zoals het fonologisch bewustzijn of langzamer lezen dan gemiddeld.’

Dyslexie is óók een spectrum
Hoewel Rouweler zelf geen dyslexie heeft, maakt ze zich hard voor het erkennen van en betere informatie over de leerstoornis. ‘Vaak gaat dyslexie ook samen met andere stoornissen zoals AD(H)D en kunnen deze mensen ook problemen ervaren binnen de executieve functies. Zelfs motorische problemen kunnen onderdeel zijn van dyslexie, maar dit verschilt van persoon tot persoon. Net als dat we van klassiek autisme zijn afgestapt en nu van een autismespectrumstoornis spreken, zouden we dyslexie ook moeten zien als een spectrum.’ Volgens Rouweler wordt dyslexie te vaak nog beschouwd als een stoornis die gelijkend is voor iedereen of als een stoornis die vooral kinderen treft. ‘Vaak denken mensen dat het vooral problemen zijn met lezen en spellen, maar het kan zich bijvoorbeeld ook uiten in moeilijk ideeën op papier kunnen zetten omdat zinsopbouw moeilijk voor je is.’ Wat Rouweler vooral benadrukt is dat iemand met dyslexie het hele leven met de stoornis moet dealen, waardoor bepaalde aspecten altijd moeilijker blijven dan voor anderen.

Waar gaat het mis?
‘Vaak komen studenten er in het hoger onderwijs pas achter dat ze dyslexie hebben. Op de basisschool en de middelbare school kunnen zij nog goed compenseren vanwege hun gemiddeld hogere intelligentie, maar op de universiteit wordt er ineens veel meer van ze verwacht qua hoeveelheid lees- en schrijfwerk. Iets wat we vaak tegenkomen is dat studenten zeggen dat ze een tekst wel drie keer moeten lezen, waar hun medestudenten de tekst maar één keer hoeven te lezen om de inhoud te begrijpen.’ Het is kwalijk dat studenten er pas tijdens hun studietijd achter komen dat ze dyslexie hebben, omdat ze pas na hun diagnose recht hebben op compensatie zoals extra tentamentijd. Vroege diagnosticering kan studievertraging schelen, maar ook een positief effect hebben op hun mentale welzijn doordat er tijdig hulp ingeschakeld kan worden.

Veelzijdigheid
Een dyslexiediagnose kan helpen, desondanks geeft Rouweler aan dat studenten vaak toch het idee hebben dat ze minder intelligent zijn dan anderen vanwege hun dyslexie. Vooral in landen waar de prestatiedruk hoger is, is dit het geval. Het tegenovergestelde is waar: ‘Vaak zien we dat deze groep studenten creatief sterk ontwikkeld is, of juist heel anders oplossingsgericht kan denken waardoor nieuwe invalshoeken benuttigd worden.’

De Flamingo-test
Recent heeft Rouweler samen met haar begeleiders tijdens haar PhD een test ontwikkeld die dyslexie vaststelt bij studenten in het hoger onderwijs, namelijk de Flamingo-test. ‘Er zijn niet genoeg diagnostische middelen beschikbaar voor studenten met dyslexie. Voor kinderen op de basisschool en middelbare school zijn er toereikende diagnostische instrumenten. Omdat het hoger onderwijs andere vaardigheden vereist dan het primair en voortgezet onderwijs, is het belangrijk dat er een diagnostisch instrument aanwezig is dat opdrachten meeneemt die studenten tegenkomen. Bij kinderen zit het probleem vooral in nauwkeurig lezen, waar het bij volwassenen vooral zit in tempo maken bij het lezen. Laat dat juist een vaardigheid zijn die je hard nodig hebt in het hoger onderwijs.’

‘Bij volwassenen zit het probleem vooral in het tempo maken bij het lezen. Laat dat juist een vaardigheid zijn die je hard nodig hebt in het hoger onderwijs’

De kunst van het decoderen
Als student lees je niet zo vaak een rij met woorden, tenzij je een taal studeert. Het is daarom belangrijk om de context van een diagnostisch instrument aan te passen naar die van een student in het hoger onderwijs. Belangrijk hierin is de vaardigheid om te decoderen, ofwel technisch lezen. Technisch lezen gaat met name om de verbinding tussen klanken en letters. Rouweler geeft aan dat mensen bij het lezen van een tekst, de inhoud van de tekst vaak voor zichzelf invullen. Dit komt doordat de tekst op een bepaalde manier is opgebouwd, wat weer verwachtingen wekt bij de lezer. ‘Om de decodeervaardigheid en het tempo lezen te kunnen testen, moet je zorgen dat je de context elimineert. Dat is wat we geprobeerd hebben met de Flamingo-test. Hierbij leest de deelnemer ook een tekst, maar moet hij/zij scherp blijven om te zorgen dat je de inhoud niet vooraf gaat invullen’.

De boodschap die Rouweler aan studenten met (mogelijk) dyslexie wil meegeven is het volgende: ‘Als je iets vermoedt, laat het toch onderzoeken. Ga naar je studieadviseur of studentendecaan, want het onderzoek is niet duur. Zoek uit wat werkt voor jou en laat je vooral de kop niet gek maken.’

Bron: rug.nl

Dit bericht is 772 keer gelezen.

Facebooktwitterlinkedinmail