Acht feiten die u moeten weten over psychose!

Facebooktwitterlinkedinmail

Pychologist

Veel mensen die een psychose gehad hebben, schamen zich er vaak voor. Ook voor hun familie is het een taboe-onderwerp. Dat is niet nodig, want het kan iedereen overkomen.

1.Iedereen kan een psychose krijgen.

Mannen hebben er ongeveer evenveel kans op als vrouwen. Ook met intelligentie of opleiding heeft een psychose niets te maken. De belangrijkste factoren die bepalen of iemand een psychose krijgt, zijn aanleg (in de genen) en stress. Omgevingsfactoren bepalen mede of deze aanleg of kwetsbaarheid voor een psychose daadwerkelijk tot uiting komt. Een psychose wordt vaak uitgelokt door een heftige gebeurtenis die gepaard gaat met stress, zoals een overlijden, scheiding of andere ontregelende gebeurtenis. Of door een heftige positieve verandering, zoals de geboorte van een kind. Slaapgebrek en drugs- of medicijngebruik kunnen de kans op een psychose vergroten. Dit alles kan maken dat de hersenen moeite hebben om alle informatie te verwerken en dat ­iemand langzaam maar zeker in een psychose raakt.

2. Vooral jongvolwassenen zijn vatbaar.

Als je op je 50ste nog nooit een psychose hebt gehad, is de kans dat je dan voor het eerst een psychose krijgt heel klein. De eerste psychose treedt meestal op tussen het 16de en 23ste jaar. Dat heeft vooral te maken met de ontwikkeling van de hersenen. Wat wel vooral op latere leeftijd voorkomt, is een delier. Daarin heb je ook last van wanen, hallucinaties en/of verward denken. Anders dan bij een psychose is dit van korte duur, zijn de verschijnselen gedurende de dag soms weg en is er een lichamelijke oorzaak. Een delier treedt vaak op tijdens of na een ziekte of ziekenhuisopname, of in het verzorgingstehuis.

3.  Een beginnende psychose kán vanzelf overgaan.

Als je bij de eerste signalen hulp krijgt, kan een beginnende psychose in de kiem worden gesmoord, zelfs zonder behandeling. Die aanloopfase kan weken tot maanden duren.

De volgende signalen kunnen wijzen op een beginnende psychose. Ze hoeven niet allemaal tegelijk voor te komen;

  • je bent teruggetrokken.
  • je bent schuw of angstig.
  • je hebt concentratieproblemen.
  • je bent prikkelbaar.
  • je presteert minder goed op school of op het werk.
  • je slaapt slechter.
  • je hebt problemen in contacten met anderen.
  • je bent wantrouwend of achterdochtig.
  • je praat in jezelf.
  • je ervaart dingen die er niet zijn

4. Een psychose verandert de blik op de werkelijkheid.

Als je in een psychose zit, ben je het contact met de werkelijkheid kwijt. Je hallucineert of hebt wanen, of allebei. Hallucineren betekent dat iemand dingen hoort, ziet, voelt, proeft of ruikt die er in werkelijkheid niet zijn. Wanen zijn overtuigingen die niet kloppen met de realiteit, zoals bijvoorbeeld het idee dat je wordt achtervolgd. Ook kan het je het gevoel hebben dat je bewegingen trager verlopen dan normaal, of andere dingen in of aan je lichaam ervaren.

Tijd en ruimte worden vaak anders beleefd. Je denkt en praat vaak onsamenhangend en je bent lastig te volgen. Deze verschijnselen kunnen in een psychose allemaal optreden, maar dat hoeft niet. Een psychose kan dagen tot vele maanden duren. Wanneer je vaker psychoses hebt en in de tussentijd slecht functioneert, is er sprake van schizofrenie. Ook bij een bipolaire stoornis en bij depressie kunnen psychoses voorkomen. Maar je kunt ook ‘alleen’ psychotisch zijn.

5. Ga niet mee in wanen. En er ook niet tegen in.

Een gesprek voeren met iemand die dingen ziet en hoort die er niet zijn of die verward praat, is lastig. Besef dat er onder al die rare uitspraken angst zit, en hulpeloosheid. Richt je op díe gevoelens en benoem ze. Wat geen zin heeft, is de wanen ontkennen (er zijn geen draken buiten) of erin meegaan (wees maar niet bang, de draken zullen jou geen kwaad doen). Wat je beter kunt zeggen, is: “Ik zie dat je bang bent, ik ben er voor je.”

6.  Een eerste psychose gaat altijd over.

Hoe eerder de psychose overgaat, hoe groter de kans dat er geen nieuwe psychose komt. Behandeling bestaat meestal uit medicatie en psycho-educatie (om meer te leren over psychoses) en psychotherapie (om ermee te leren omgaan). De medicatie is bedoeld om de hersenen zodanig tot rust te brengen dat de gesprekstherapieën gevolgd kunnen worden.

7. De familie kan veel doen.

Als je in een ­psychose bent zal je doorgaans zelf geen hulp zoeken; je hebt meestal zelf niet door dat je in een psychose zit en je gelooft dat de wanen en hallucinaties reëel zijn. Daarom is het belangrijk dat de familie wel hulp zoekt. Hoe eerder, hoe beter, want hoe eerder een psychose behandeld wordt, hoe groter de kans op volledig herstel. Als je als familie te lang wacht, kan het zijn dat je familielid al zo achterdochtig is dat hij geen hulp wil. In dat geval kan een naaste advies inwinnen via Korrelatie (T 0900-1450, €0,15 pm). Vaak wordt de huisarts echter te laat ingeschakeld, omdat familieleden de psychose niet herkennen als zodanig maar afdoen als ‘lastig’ gedrag.

8. De isoleercel is zelden nodig.

Je wordt alleen in een isoleercel of separatieruimte opgenomen als je een gevaar bent voor jezelf of je omgeving. Het gebeurt soms dat je in een isoleercel wordt geplaatst omdat je last hebt van te veel prikkels en dus rust nodig hebt

Met dank aan Lidewy Hendriks, psychologe bij Fonds Psychische Gezondheid.

Bron: plusonline.nl 

Dit bericht is 92599 keer gelezen.

Facebooktwitterlinkedinmail