Getraumatiseerde kinderen vinden weinig steun in eigen netwerk

4 mei 2026 –  Praten helpt als je iets naars hebt meegemaakt. Maar voor kinderen die slachtoffer of getuige zijn geweest van huiselijk geweld is dat niet altijd vanzelfsprekend. Traditionele steunfiguren als ouders en vrienden worden door hen lang niet altijd als veilig of helpend ervaren. Dat blijkt uit een studie dat is verschenen  in het Journal of Child & Adolescent Trauma.

Voor de studie brachten de onderzoekers het sociale netwerk in kaart van tien kinderen (in de leeftijd van 8 tot 12 jaar) met een traumatische ervaring binnen het gezin. De kinderen werd gevraagd wie zij tot hun netwerk rekenen, hoe zij hun relaties beoordelen en met wie zij praten over hun ervaringen. Uit het onderzoek blijkt dat ze binnen dat netwerk weinig ruimte ervaren om over hun trauma te praten.

Geen steun van ouders
‘Deze kinderen beschrijven ongeveer 40 procent van hun relaties als negatief of op z’n best ambivalent’, vertelt Mèlanie Sloover, ontwikkelingspsycholoog verbonden aan de Radboud Universiteit en eerste auteur van de studie. ‘Dat begint al bij een complexe ouder-kind relatie: de helft van de kinderen gaf aan dat ze hun vader nog wel zien als onderdeel van hun netwerk, ook als het de dader was – al noemen ze het wel een negatieve relatie.’

De relatie met hun moeder beschrijven ze als positief, maar als ze met haar gesprekken over trauma hebben loopt dat vaak moeizaam. Als het onderwerp wel ter sprake komt, bijvoorbeeld omdat de moeder het aankaart, ervaren kinderen het gesprek vaak niet als steunend. ‘Dat kan samenhangen met het feit dat moeders zelf ook getraumatiseerd zijn door dezelfde situatie’, zegt Sloover. ‘Dan is het lastig om sensitief en open te reageren op het verhaal van je kind.’

Het belang van lotgenoten
Ook vriendschap is voor deze kinderen ingewikkeld. Sloover: ‘Wanneer ze gevraagd wordt wat vriendschap betekent, noemen zij zaken als aardig zijn, elkaar helpen en vertrouwen. Maar als ze hun eigen vriendschappen beschrijven, komt daar vaak een ander beeld naar voren. Sommige kinderen weten niet goed waarom iemand hun vriend is, anderen ervaren pestgedrag of een gebrek aan veiligheid. Over traumatische ervaringen praten ze nauwelijks met hun vrienden.’

Vriendschappen die deze kinderen opbouwen in lotgenotengroepen ervaren ze wél als steunend. ‘Het contact met leeftijdsgenoten die hetzelfde hebben meegemaakt blijkt veilig te voelen en heeft een helpend effect. Herkenning is heel belangrijk: kinderen hoeven minder uit te leggen en voelen zich sneller begrepen.’

Volgens de onderzoekers benadrukken de resultaten het belang van een systemische aanpak in de traumazorg. Niet alleen het kind, maar ook de relaties om het kind heen verdienen aandacht. Dat geldt in het bijzonder voor ouders die zelf mogelijk PTSS-klachten hebben. Schoover: ‘Als een kind vermijdt om over het trauma te praten, kan dat een PTSS-symptoom zijn. Maar het kan ook betekenen dat eerdere pogingen niet veilig of steunend aanvoelden. Door veilige relaties te versterken en ondersteunen, lever je een belangrijke bijdrage aan het herstel van een kind.’

Literatuurverwijzing – Sloover, M., De Beijer, D., Stoltz, S.E.M.J. et al. How children with posttraumatic stress disorder view their social networks: a qualitative study. Journ Child Adol Trauma (2026). https://doi.org/10.1007/s40653-026-00896-1

Bron: ru.nl

Dit bericht is 3 keer gelezen.