4 juni 2026 – Wie anorexia had én kampte met een trauma, kreeg jarenlang vaak hetzelfde te horen: eerst aankomen. Anorexiapatiënten zouden door ondergewicht simpelweg niet in staat zijn om traumabehandelingte volgen. Toch plaatsen recente onderzoeken steeds meer vraagtekens bij deze aanname.
Bij anorexia nervosa denkt men al snel aan gewicht. Aan een lichaam dat steeds verder vermagert, aan strijd rond maaltijden en aan de medische risico’s van ondervoeding. Maar achter de obsessieve controle over eten gaat bij een aanzienlijke groep patiënten een andere worsteling schuil: onverwerkt trauma dat de ziekte hardnekkig in stand kan houden.
Toch kreeg onderliggend trauma binnen de eetstoorniszorg jarenlang pas aandacht nadat de eetstoornis, en met name het gewicht, onder controle was. De overtuiging was dat patiënten met ernstig ondergewicht niet in staat zouden zijn traumatherapie te volgen. Deze aanname is mede gebaseerd op het zogenoemde fenomeen starvation brain: patiënten zouden door hun ondergewicht onvoldoende cognitief en emotioneel vermogen hebben om traumatische herinneringen te verwerken.
De gedachte achter dit starvation brain vindt haar oorsprong in het beroemde Minnesota Starvation Experiment van de Amerikaanse wetenschapper Ancel Keys. Tijdens dit onderzoek in de jaren veertig verloren gezonde mannelijke proefpersonen in korte tijd een kwart van hun lichaamsgewicht. De gevolgen waren ingrijpend: veel deelnemers ontwikkelden depressieve klachten, raakten emotioneel afgevlakt en werden sterk gefixeerd op voedsel. Binnen de anorexiazorg werd dit later vertaald naar de hardnekkige aanname dat patiënten in de acute ondergewichtsfase simpelweg het cognitieve en emotionele vermogen missen om traumatische herinneringen te verwerken. In een kritisch literatuuronderzoek uit 2026 stelt de Britse onderzoeker Rebecca Cruickshank dat de invloed van het Minnesota Starvation Experiment op de eetstoorniszorg kritisch moet worden heroverwogen. Volgens haar doen we patiënten hiermee groot onrecht aan: door te claimen dat hun uitgehongerde brein niet naar behoren werkt, praten we ze aan dat hun eigen verhaal onbetrouwbaar is.
Daarnaast bestond onder veel behandelaren de angst dat traumatherapie de eetstoornissymptomen juist zou verergeren. Psycholoog en onderzoeker Jeffrey van der Starre van de Universiteit Leiden en PsyQ, verwijst naar een internationale studie van de Canadese onderzoekers Kari Trottier en Deanne MacDonald (2017). Zij toonden aan dat ruim vijftig procent van de therapeuten vreesde dat het aanpakken van PTSS-klachten de eetstoornis van de patiënt juist zou verergeren.
Eerst lichamelijk herstellen, dan pas het verleden onder ogen zien. Dat was de veiligste route.
De ‘dempende’ werking van de weegschaal
Traumatische ervaringen kunnen een grote rol spelen bij het ontwikkelen van een eetstoornis. Een onderzoek van de Amerikaanse psycholoog Emily L. Ferrell, verbonden aan Bowling Green State University, laat zien dat de twee aandoeningen opvallend vaak hand in hand gaan: ongeveer een kwart van alle patiënten met een eetstoornisdiagnose kampt daarnaast met een posttraumatische stressstoornis. Voor de groep patiënten met anorexia, treft deze dubbele diagnose ongeveer één op de zes.
Trauma kan de ziekteduur verdubbelen
Wie naast een eetstoornis ook kampt met onderliggend trauma, blijkt bovendien vaak een langduriger hersteltraject te hebben. In een Nederlandse studie door onderzoekers Suzanne Mares en Maartje Vroling in 2020, uitgevoerd binnen eetstoornisexpertisecentrum Amarum onder zestig klinische anorexiapatiënten, rapporteerde 90 procent minstens één traumatische gebeurtenis in zijn of haar leven. 62 procent gaf aan meerdere traumatische gebeurtenissen te hebben meegemaakt. Mares en Vroling toonden aan dat er een significante samenhang is tussen de timing van het trauma en de hardnekkigheid van de eetstoornis. Waar patiënten zonder vroegkinderlijk trauma een gemiddelde ziekteduur van bijna drie jaar rapporteerden, bleek de eetstoornis bij patiënten met vroegkinderlijk trauma ruim zeven jaar te duren.
Ook binnen Amarum herkennen behandelaren dat beeld.
“We zien meestal dat rond de dertig procent van de anorexiapatiënten PTSS heeft,” zegt klinisch psycholoog en onderzoeker Elke Wezenberg. “Op dit moment hebben acht van de tien opgenomen patiënten bij ons ook PTSS-klachten.”
Volgens haar draait het niet om de vraag of trauma altijd de oorzaak is van anorexia. “Het is niet dat dat de enige reden is waarom mensen een eetstoornis ontwikkelen,” zegt ze. “Maar het is wel vaak iets dat herstel in de weg zit.”
Volgens Wezenberg draait het ook om erkenning voor de patiënt dat trauma en de eetstoornis sterk kunnen samenhangen: “Het helpt om de dominosteentjes te snappen van hoe bepaalde klachten geleid hebben tot gedrag. En dat het eigenlijk een vicieuze cirkel wordt, omdat het een het andere in stand houdt.”
Onderzoek zet oude aannames onder druk
De afgelopen jaren begonnen onderzoekers zich vaker af te vragen of traumatherapie tijdens de behandeling van anorexia wel echt zo risicovol is als lange tijd werd gedacht. Een belangrijke rol hierin was het onderzoek van klinisch psycholoog Marieke ten Napel-Schutz, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en destijds aan Amarum. Zij onderzocht of traumabehandeling mogelijk is bij patiënten met anorexia nervosa en ernstig ondergewicht. De uitkomsten waren opvallend: traumaklachten namen af, terwijl de behandeling geen negatieve invloed leek te hebben op het herstel van de eetstoornis. Ook gevoelens van schaamte, schuld en boosheid verminderden. Voor veel behandelaren was het een van de eerste studies die liet zien dat traumatherapie niet automatisch hoeft te botsen met herstel van de eetstoornis.
Daarmee kwam een van de grootste aannames binnen de eetstoorniszorg onder druk te staan: dat traumatherapie tijdens de ondergewichtsfase per definitie te belastend zou zijn. De studie was kleinschalig, maar liet zien dat de praktijk mogelijk minder zwart-wit is dan jarenlang werd gedacht.
Uit een analyse van medische databases wereldwijd tussen 2004 en 2022 door behandelcentrum Novarum en de Vrije Universiteit Amsterdam, bleek dat er wereldwijd slechts drie specifieke behandelstudies zijn uitgevoerd die traumatherapie in de acute ondergewichtsfase hadden gemeten: het werk van Ten Napel-Schutz, een Amerikaanse studie van Federici en Wisniewski en een Duits onderzoek van Svaldi. Hoewel het telkens om relatief kleine patiëntengroepen ging, wijzen de resultaten opvallend genoeg dezelfde kant op: traumabehandeling bij patiënten met anorexia nervosa en ondergewicht is haalbaar en veilig.
Novarum voert momenteel samen met de trauma-experts van het Sinai Centrum ook onderzoek uit naar de mogelijkheden van gelijktijdige trauma- en eetstoornisbehandeling. In de zogeheten COCOON-studie wordt onderzocht of directe traumabehandeling haalbaar is voor patiënten met anorexia nervosa en PTSS-klachten. De studie richt zich specifiek op patiënten met een BMI onder de 17,5. Deelnemers krijgen naast de reguliere eetstoornisbehandeling een traumagerichte behandeling met imaginaire exposure, waarbij zij onder begeleiding herhaaldelijk en gecontroleerd stilstaan bij traumatische herinneringen1.
“Dat doen we hier niet”
Toen Wezenberg in 2013 bij Amarum begon, was traumabehandeling binnen de eetstoorniszorg nog eerder uitzondering dan regel. “Ik had net een EMDR-opleiding gedaan,” vertelt ze. “Toen ik zei dat ik daar ook wel iets mee wilde doen, was het: ‘Dat doen we hier niet.'”
Als traumabehandeling al werd ingezet, gebeurde dat alleen in uitzonderlijke situaties.
“Eerder was het zo: mensen moesten eerst aankomen en pas dan kon er worden nagedacht over een traumabehandeling,” vertelt Elke Wezenberg. “Dat is inmiddels echt omgedraaid. Er wordt sterk rekening gehouden met het feit dat PTSS-klachten de eetstoornis in stand kunnen houden.”
Wanneer haar wordt gevraagd of een laag BMI nog een contra-indicatie is, zegt ze: “Nee, maar als iemand bijvoorbeeld binnen is gekomen met een blijvend dalend gewicht, dan ligt de focus wel eerst op het stoppen van die daling.’’
De verschuiving in de behandelkamer
In behandelcentrum Amarum is die omslag inmiddels zichtbaar op de werkvloer. Eetstoornispatiënten worden standaard gescreend op traumaklachten en waar mogelijk lopen traumabehandeling en eetstoornisbehandeling naast elkaar.
De mate waarin traumagerelateerde problematiek wordt meegenomen in de behandeling verschilt nog tussen instellingen. Het ene centrum integreert trauma- en eetstoornisbehandeling al volledig, het andere richt zich meer op andere comorbiditeit, zoals autisme.
Toch lijkt één ontwikkeling moeilijk te negeren: onderzoek én praktijkervaringen laten zien dat trauma niet altijd hoeft te wachten tot de weegschaal groen licht geeft.
Bron: ingezonden artikel door Irente Doorduin
Dit bericht is 1 keer gelezen.