11 mei 2026 – Tieners die zich goed voelen, hebben later in hun leven gemiddeld betere mentale en fysieke uitkomsten. Dat blijkt uit onderzoek van biologisch psychologen Anne Geijsen en Meike Bartels Voor het onderzoek werden gegevens van meer dan 14.000 deelnemers van het Nederland Tweelingen Register (NTR) geanalyseerd. De resultaten zijn gepubliceerd in Nature Communications.
Het onderzoek laat zien dat het welbevinden van jongeren tussen de 14 en 16 jaar samenhangt met verschillende aspecten van hun latere leven, zoals mentale gezondheid, persoonlijkheid, slaap en ervaren lichamelijke gezondheid tot wel twintig jaar later.
Toenemende aandacht voor mentale gezondheid
De mentale gezondheid van jongeren staat de laatste jaren sterk in de belangstelling. Veel jongeren ervaren druk op school, online en in hun sociale leven. Tegelijkertijd was er nog weinig bekend over wat het op lange termijn betekent als jongeren zich goed of juist minder goed voelen tijdens hun tienerjaren.
Om dit beter te begrijpen, onderzochten Anne Geijsen en Meike Bartels het welbevinden van jongeren van 14 tot 16 jaar en volgden zij hen tot in de volwassenheid, tussen de 20 en 35 jaar. Daarbij keken zij naar verschillende uitkomsten in het latere leven, waaronder welbevinden, mentale gezondheid, persoonlijkheid, slaap en ervaren lichamelijke gezondheid.
Positieve samenhang met later functioneren
De resultaten laten zien dat jongeren die zich in hun tienerjaren beter voelen, gemiddeld ook beter functioneren als jongvolwassene. Zij rapporteren later meer welbevinden, ervaren hun gezondheid als beter en slapen gemiddeld beter.
Daarnaast scoren zij hoger op zorgvuldigheid (conscientieusheid), een persoonlijkheidskenmerk dat onder meer samenhangt met doorzettingsvermogen en verantwoordelijkheidsgevoel. Tegelijkertijd hebben zij gemiddeld minder last van neuroticisme, een persoonlijkheidseigenschap die wordt geassocieerd met stress, piekeren en emotionele instabiliteit.
Een deel van deze verbanden bleef bestaan nadat onderzoekers rekening hielden met hoe het al ging met jongeren tijdens de adolescentie. Dat suggereert dat welbevinden op jonge leeftijd mogelijk samenhangt met latere ontwikkeling.
Rol van gezin en genetica
Een belangrijke vraag in het onderzoek was in hoeverre deze verbanden worden verklaard door door factoren binnen het gezin, zoals opvoeding of genetische aanleg. Om dit te achterhalen gebruikten de onderzoekers een zogenoemd sibling-comparison design. Daarbij worden broers en zussen, en in dit geval ook tweelingen, met elkaar vergeleken. Omdat zij veel genen en een vergelijkbare opvoedingsomgeving delen, kunnen onderzoekers beter inschatten welke effecten samenhangen met individuele verschillen in welbevinden.
De analyses laten zien dat de verbanden kleiner worden wanneer familieleden met elkaar worden vergeleken. Dat betekent dat gedeelde factoren, zoals genetica en opvoeding, een deel van de verbanden zouden kunnen verklaren. Tegelijkertijd bleven meerdere verbanden bestaan, wat erop wijst dat welbevinden van jongeren een direct effect hebben op gezondheid en functioneren tot 20 jaar later. Geijsen: “We zien dat jongeren die zich tijdens hun tienerjaren goed voelen, dit ook meenemen naar hun latere leven, het effect blijft bestaan zelfs als we rekening houden met wat broers en zussen met elkaar delen, zoals opvoeding en genetische achtergrond. Dat maakt duidelijk dat welbevinden tijdens de adolescentie er echt toe doet, en dat het de moeite waard is om daar vroeg aandacht aan te besteden.”
Belang voor welbevinden in de maatschappij
Volgens de onderzoekers onderstrepen de resultaten het belang van aandacht voor welbevinden van jongeren. Het gaat daarbij niet alleen om het voorkomen van mentale problemen, maar ook om het actief bevorderen van welbevinden. Bartels: “Dit en ander onderzoek van onze groep laat zien dat welbevinden niet alleen een uitkomstmaat is, maar dat het nog belangrijker is dat we welbevinden zien als startpunt en katalysator.”
Bron: vu.nl
Dit bericht is 1 keer gelezen.