Tussen herstel en terugval: restklachten bij depressie verdienen meer aandacht

22 oktober 2026 – Na een depressieve episode is niet iedereen volledig hersteld. Ongeveer één op de drie mensen houdt klinisch relevante restklachten, terwijl diegene niet meer voldoet aan de criteria voor een depressieve stoornis. Deze fase wordt gedeeltelijke remissie genoemd. Hoe kunnen mensen in deze fase het beste worden behandeld? En welke rol speelt cognitief functioneren bij het verdere herstel en het risico op terugval?

Joost Gülpen onderzocht deze vragen in zijn proefschrift Between Recovery and Relapse. Examining Partial Remission and Cognitive Functioning in Major Depressive Disorder. Hij promoveerde op 7 september 2026 aan de Universiteit van Amsterdam.

Gedeeltelijke remissie is een belangrijke fase in het beloop van depressie. Mensen kunnen nog last hebben van depressieve klachten, minder goed functioneren en een lagere kwaliteit van leven ervaren. Ook is het risico op een nieuwe depressieve episode verhoogd. Toch krijgt deze fase volgens Gülpen in onderzoek en behandeling nog relatief weinig aandacht.

Psychologische behandeling kan helpen
Uit het onderzoek van Gülpen blijkt dat psychologische behandeling tijdens gedeeltelijke remissie kan helpen om resterende depressieve klachten verder te verminderen en de kans op volledige remissie te vergroten.

Daarnaast vond hij aanwijzingen dat psychologische interventies ook het risico op terugval kunnen verkleinen. In een analyse van bestaande studies was dat risico bij mensen die een psychologische interventie kregen ongeveer 40 procent lager dan bij mensen in een controleconditie.

Gülpen pleit er daarom voor om mensen in gedeeltelijke remissie actief psychologische behandeling aan te bieden, bijvoorbeeld Preventieve Cognitieve Therapie (PCT) of Mindfulness-Based Cognitive Therapy (MBCT).

Restklachten en eerdere depressies voorspellen terugval
Niet iedereen in gedeeltelijke remissie heeft hetzelfde risico op terugval. Uit het onderzoek kwamen twee duidelijke voorspellers naar voren: meer depressieve restklachten en een groter aantal eerdere depressieve episodes.

Dat onderstreept volgens Gülpen het belang om gedeeltelijke remissie niet te zien als een eindpunt van behandeling. Juist in deze fase kan verdere behandeling helpen om herstel te bevorderen en terugval te voorkomen.

Cognitief functioneren gaat niet vanzelfsprekend achteruit
Problemen met bijvoorbeeld geheugen, aandacht of informatieverwerking komen vaak voor na een depressieve episode. Gülpen onderzocht daarom ook hoe cognitief functioneren en depressie zich op de lange termijn tot elkaar verhouden.

In een studie waarin mensen met terugkerende depressies over een periode van twintig jaar werden gevolgd, vond hij geen duidelijke aanwijzingen dat cognitief functioneren het verdere beloop van depressie voorspelt. Andersom bleek ook niet dat meer depressieve episodes automatisch samengaan met verdere cognitieve achteruitgang.

De veranderingen in cognitief functioneren waren over het algemeen beperkt en verschilden sterk tussen personen. Volgens Gülpen biedt dit ruimte voor een hoopvoller perspectief: cognitief functioneren hoeft bij terugkerende depressies niet vanzelfsprekend steeds verder achteruit te gaan.

Extra cognitieve training heeft geen duidelijke meerwaarde
Gülpen onderzocht ook of het helpt om cognitief functioneren tijdens gedeeltelijke remissie specifiek te trainen.

Daarvoor werd Preventieve Cognitieve Therapie vergeleken met dezelfde behandeling aangevuld met neurocognitieve remediatietherapie, een training gericht op cognitief functioneren. Die extra training leidde niet tot betere cognitieve prestaties, minder restklachten of een lager risico op terugval.

Op basis van deze resultaten is er volgens Gülpen geen aanleiding om dergelijke cognitieve training standaard aan bestaande psychologische behandeling toe te voegen.

Gedeeltelijke remissie is geen eindpunt
Een belangrijke boodschap uit het proefschrift is dat gedeeltelijke remissie meer aandacht verdient. Mensen voldoen misschien niet meer aan de criteria voor een depressieve stoornis, maar dat betekent niet automatisch dat zij volledig hersteld zijn.

Tegelijkertijd zijn er al behandelingen beschikbaar die kunnen helpen om resterende klachten verder te verminderen en terugval te voorkomen. Volgens Gülpen ligt de uitdaging daarom niet alleen in het ontwikkelen van nieuwe behandelingen, maar ook in het beter inzetten van effectieve behandelingen die er al zijn.

Bron:  nedkad.nl

Dit bericht is 16 keer gelezen.