Je kunt niet zeggen dat ADHD een hersenafwijking is

Facebooktwitterlinkedinmail

14 november 2017 – Je kunt niet zeggen dat ADHD een hersenafwijking is. Het is dus ook (nog) niet mogelijk om een scan van een kind te maken en dan te bepalen of het wel of geen ADHD heeft. Daarvoor zit ADHD te ingewikkeld in elkaar. Wel is het zo, dat bij sommige onderzoeken onder grote groepen kinderen hele kleine verschillen gevonden zijn in de vorm en functie van de hersenen van kinderen met en zonder ADHD. Het gaat daarbij om (kleine) groepsverschillen en niet om verschillen bij ieder kind afzonderlijk, aldus het kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie.

De hersenen van de onderzochte groep kinderen met ADHD zijn iets kleiner en een deel van de buitenkant van de hersenen (cortex) is iets dunner. Ook blijken de kernen diep in de hersenen (de basale ganglia) van de groep kinderen met ADHD gemiddeld kleiner te zijn dan die van hun leeftijdsgenoten. Dit geldt ook voor de kleine hersenen (het cerebellum) en het deel van de hersenen onder het voorhoofd (de frontale cortex). Deze verschillen kunnen weer verdwijnen tijdens de adolescentie. Daarnaast laten de hersenen van groepen kinderen met ADHD in een aantal gebieden geen asymmetrische ontwikkeling van de hersenhelften zien; iets wat bij kinderen zonder ADHD juist een normaal verschijnsel is.

Als we een heleboel onderzoeken bij elkaar leggen, zien we dat groepen kinderen en jongeren met ADHD een lagere activiteit hebben in bepaalde hersendelen, die onder meer een rol spelen bij de aandacht, de concentratie en het geheugen. Dit geldt ook voor groepen kinderen met ADHD zonder andere psychische problemen en bij kinderen die nooit medicijnen voor ADHD hebben gebruikt.

Ook is gevonden dat er bij de ADHD-groep te weinig stofjes in de hersenen (neurotransmitters) zijn die een rol spelen in het goed met elkaar samenwerken van de hersencellen. Dit zijn bijvoorbeeld dopamine en noradrenaline.

Erfelijkheid
Erfelijkheid speelt een grote rol in het ontstaan van ADHD. Broertjes en zusjes van kinderen met ADHD hebben een 2 tot 3 keer hogere kans om zelf ADHD te krijgen dan kinderen uit een gezin waarin geen ADHD voorkomt. Uit tweelingonderzoek blijkt dat ADHD voor ongeveer 80% bepaald wordt door erfelijkheid, dat is ongeveer vergelijkbaar met de invloed van erfelijkheid op de lichaamslengte.

Welke genen spelen er mee?
Op zoek naar de oorzaken van ADHD proberen wetenschappers een antwoord te vinden op de vraag of bepaalde genen (erfelijk materiaal) een rol spelen bij ADHD. Op dit moment zijn er geen specifieke genen voor ADHD ontdekt. Dat is ook niet te verwachten. Wetenschappers denken dat bij ADHD meerdere genen een rol spelen en dat ook omgevingsfactoren een belangrijke invloed hebben. Er zijn wel meerdere ‘verdachte’ genen gevonden die mogelijk meespelen bij het ontstaan van ADHD.

Wat is de invloed van de omgeving?
De genen bepalen dus voor een belangrijk deel de kwetsbaarheid of ‘aanleg’ van een kind voor ADHD. Maar het ontwikkelen van ADHD is niet onvermijdelijk als een kind er genetische aanleg voor heeft. Invloeden vanuit de omgeving kunnen de genetische eigenschappen versterken of verzwakken. Al voor de geboorte kan blootstelling aan nicotine, alcohol, zware metalen en bepaalde chemische stoffen of een tekort aan voedingsstoffen de kwetsbaarheid van het kind vergroten. Ook stress in het gezin, geldzorgen, ziekte van gezinsleden en een ongeorganiseerde gezinsomgeving worden in verband gebracht met het ontwikkelen van ADHD. Zonlicht heeft mogelijk een preventief (beschermend) effect op het ontwikkelen van ADHD-symptomen.

ADHD in het gezin
Hoeveel last een kind in het dagelijkse leven heeft van ADHD hangt af van de wisselwerking tussen de erfelijke aanleg en de omgeving. Doordat erfelijkheid een grote rol speelt bij ADHD, groeien kinderen met ADHD vaak op in een gezin waar een of beide ouders (en soms ook broertjes of zusjes) zelf ook kenmerken van ADHD hebben, zoals moeite met planning en organisatie. Dit kan van invloed zijn op het effect van een behandeling (zie Behandeling). Het is duidelijk dat de omgeving en de opvoeding geen ADHD veroorzaken en ook geen ADHD kunnen voorkómen.

Effect van medicijnen
Er zijn onderzoeken met hersenscans die laten zien dat deze verschillen in de hersenen lijken te verdwijnen bij het gebruik van ADHD-medicijnen. Scans (MRI) die de werking en samenwerking van de hersendelen meten, laten soms zien dat dit verbetert door medicijnen zoals methylfenidaat. De aandacht en concentratie verbeteren dan.

De effecten van methylfenidaat (ADHD-medicijnen) op de zich ontwikkelende hersenen zijn afhankelijk van verschillende factoren. Bij kinderen met een bepaald gen neemt het volume van het deel van de hersenen onder het voorhoofd (de frontale cortex) toe als ze methylfenidaat gebruiken. Belangrijk om te weten: bij het ouder worden, van kinder- naar puberleeftijd, verminderen de ADHD-symptomen vanzelf al, los van de vraag of een kind nu wel of geen methylfenidaat gebruikt.

Executieve functies
Er zijn wetenschappers die denken dat de problemen van kinderen met ADHD ontstaan uit stoornissen in de executieve functies en motivatie. Uit onderzoek blijkt dat deze functies zich bij kinderen met ADHD anders ontwikkelen.

Executieve functies hebben een regelfunctie in het brein. Ze zijn nodig voor het regelen van gedrag, gedachten en emoties. De belangrijkste executieve functies zijn:

  • inhibitie: het onderdrukken of ‘remmen’ van impulsen
    Hiermee kun je gewoontes of ander gedrag stoppen als dat niet (meer) wenselijk is.
  • schakelen: switchen tussen twee taken
    Hiermee kun je overschakelen op ander gedrag als dat beter past in de situatie.
  • het werkgeheugen: het tijdelijk opslaan van informatie
    Hiermee kun je voordat je iets doet eerst alle voor- en nadelen nog eens op een rijtje te zetten.

Deze functies zorgen voor zelfcontrole. Je kunt je hiermee aanpassen aan de omgeving. Je kunt plannen maken, alternatieven bedenken, naar het gedrag van jezelf kijken en het aanpassen aan de situatie. Of zelfs over je eigen gedachten nadenken.

Kinderen worden hier steeds beter in als ze ouder worden. Het vermogen om gedrag af te remmen (inhibitie) is het snelst ontwikkeld, maar het schakelen en werkgeheugen ontwikkelen zich nog tot in de adolescentie en volwassenheid.

Motivatie
Een andere theorie stelt dat ADHD samenhangt met een verminderde gevoeligheid voor beloning. Kinderen met ADHD reageren gemiddeld anders op beloningen dan kinderen zonder ADHD. Zo hebben zij een voorkeur voor directe beloningen en een hekel aan uitgestelde beloningen. Ook hebben ze sterkere beloningen nodig dan kinderen zonder ADHD om optimaal te presteren, hun aandacht vast te houden en om gepast gedrag te laten zien. Wanneer er veel en sterke beloningen zijn, dan kan dat motivatie verhogen en komen hun prestaties dichter bij het niveau van kinderen zonder ADHD.

Belangrijk om in gedachten te houden: het gaat ook hier weer om gemiddelden van groepen kinderen, geen enkel kind met ADHD is hetzelfde.

Bron: kenniscentrum-kjp.nl

Dit bericht is 2151 keer gelezen.

Facebooktwitterlinkedinmail