15 juni 2026 – Meer dan de helft van de gedetineerden heeft waarschijnlijk niet‑aangeboren hersenletsel (NAH), en dat blijft nu nog te vaak onopgemerkt. Dat toont psycholoog Sterre de Geus aan in haar onderzoek over niet-aangeboren hersenletsel en bijbehorende neurocognitieve en gedragsaspecten bij gevangenen.
De Geus laat zien dat dit hersenletsel invloed heeft op gedrag, behandeling en de kans op terugval en dat vroege herkenning en behandeling op maat essentieel zijn voor een veiligere samenleving.
Hersenletsel komt opvallend vaak voor in de gevangenis
Wereldwijd zitten miljoenen mensen vast, en een groot deel pleegt na vrijlating opnieuw een delict. Tegelijkertijd blijkt dat niet‑aangeboren hersenletsel veel vaker voorkomt onder gedetineerden dan in de algemene bevolking: naar schatting bij 40 tot 60 procent, tegenover 8 tot 12 procent onder volwassenen in de algemene populatie. Hersenletsel kan ontstaan door bijvoorbeeld een ongeluk, beroerte of geweld en heeft vaak langdurige gevolgen. Denk aan problemen met geheugen, impulscontrole of gedrag. Volgens De Geus is dit belangrijk om te begrijpen: “Deze cognitieve en gedragsveranderingen kunnen invloed hebben op hoe iemand reageert, beslissingen neemt en deelneemt aan behandeling.”
Eerder en vaker betrokken bij geweld
Uit onderzoek in een psychiatrische afdeling van de gevangenis blijkt dat meer dan de helft van de mannelijke patiënten (55%) hersenletsel heeft. Deze groep begint gemiddeld op jongere leeftijd met crimineel gedrag en is vaker betrokken bij geweldsdelicten. Opvallend is dat hun cognitieve vaardigheden niet altijd slechter zijn dan die van gedetineerden zonder hersenletsel. Wel blijken bepaalde vaardigheden, zoals taalgebruik en woordvinding, samen te hangen met een grotere kans op gewelddadige delicten. Dit laat zien dat niet alleen óf iemand hersenletsel heeft belangrijk is, maar ook welke specifieke cognitieve kenmerken een rol spelen.
Hersenen werken anders na letsel
In een fMRI‑studie onderzocht De Geus wat er in de hersenen gebeurt bij mannelijke gedetineerden met hersenletsel. De Geus leg uit: “Er werden op gedragsmatig niveau geen verschillen gevonden op het gebied van gedragsremming. Wel vonden we dat daders met NAH ander soort activiteit hadden in bepaalde hersengebieden. Hierdoor kwamen we tot de conclusie dat daders met NAH compensatiemechanismen gebruiken om cognitieve controle functies succesvol uit te voeren.”
Deze inzichten helpen om beter te begrijpen waarom gedrag soms moeilijk te sturen is – en waarom standaardbehandelingen niet altijd effectief zijn.
Behandeling werkt beter als die persoonlijk is
Het onderzoek laat ook zien dat behandeling effectiever is wanneer die wordt aangepast aan iemands situatie. Factoren zoals motivatie, zelfinzicht en steun uit de omgeving spelen daarin een grote rol. Toch wordt in de forensische praktijk nog maar beperkt rekening gehouden met hersenletsel. Dat is opvallend, gezien de grote impact ervan op gedrag en behandeling. Volgens De Geus ligt hier een duidelijke kans: “Door beter te kijken naar hersenletsel en iemands cognitieve profiel, kunnen behandelingen gerichter en effectiever worden.”
Vroeg signaleren is cruciaal
De Geus pleit voor standaard screening op hersenletsel in het justitiële systeem. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gekeken naar kenmerken zoals een vroege start van crimineel gedrag of eerdere geweldsdelicten. Daarnaast blijkt dat mensen met hersenletsel soms moeite hebben om rechtszaken goed te begrijpen en eraan deel te nemen, wat belangrijke vragen oproept in de rechtspraak. Het is belangrijk om cognitieve problemen en gedragsveranderingen expliciet mee te nemen in behandeling. Dat kan helpen om recidive te verminderen en draagt uiteindelijk bij aan een veiligere maatschappij.
Bron: vu.nl
Dit bericht is 4 keer gelezen.