Ten onrechte vaak sprake van stigmatiserend taalgebruik in psychiatrie

Facebooktwitterlinkedinmail

stop-stigma

Praten over een psychiatrische aandoening is lastig. Laten we dit niet nog lastiger maken door bij 
dit onderwerp stigmatiserend of juist verhullend taalgebruik te bezigen, stelt Arie Jan de Lely.

Tijdens het lezen van het, overigens lezenswaardige, artikel over de Week van de Psychiatrie (RD 20-3) viel me weer op hoe kenmerkend en stigmatiserend de taal is die bij dit onderwerp wordt gebezigd. Er wordt gesproken over „cliënten in de GGZ” met een „psychische beperking” die „belanden in de psychiatrie”, een „label” krijgen en „pillen slikken.” Opvallend is dat er in het artikel tegelijk sprake is van stigmatiserend woordgebruik als een krampachtige poging stigma’s ongedaan te maken.

De uitdrukking ”in de psychiatrie belanden” suggereert dat psychiatrische patiënten niet in staat zijn om welbewust voor een adequate behandeling te kiezen en willoos in de gekke wereld van de GGZ verzeild raken. En ”pillen slikken”, een plastische aanduiding voor medicatiegebruik, roept het beeld op dat je waarschijnlijk ”ver heen” bent (geweest) en ”onder de medicijnen” staat. Beide uitdrukkingen zijn stigmatiserend en ook onterecht generaliserend; ze zetten vraagtekens bij het vermogen van alle psychiatrische patiënten tot het maken van doelbewuste afwegingen.

In het woord ”label” hoor ik de stigmatiserende suggestie doorklinken dat er in de psychiatrie geen sprake is van gedegen diagnostiek en van reële ziektebeelden. Je moet dus wel een beetje gek zijn als je zomaar een ”etiket laat plakken”door een psychiater.

In het gebruik van de term ”cliënten in de GGZ” zie ik daarentegen een krampachtige, of zelfs verkrampte, poging om genoemde stigmatisering te verhullen of ongedaan te maken. Door te spreken over ”cliënten” in plaats van over ”patiënten”, lijkt men het níét ziek zijn en de autonomie van psychiatrische patiënten te willen benadrukken. Echter, de term patiënt betekent: ”degene die lijdt”, en geeft dus onverbloemd en respectvol aan waar het om gaat. Patiënt betekent niet: ”degene die niet serieus genomen hoeft te worden”. Mijns inziens worden in de (geestelijke) gezondheidszorg patiënten behandeld en worden cliënten bediend in een (gezondheids)winkel. Een psychiater is een medisch specialist, net als een cardioloog. Iedereen zou vreemd opkijken als iemand met een hartaandoening een hartcliënt werd genoemd.

Met het spreken over een ”psychische beperking” lijkt me op zich niets mis, tenzij hiermee stelselmatig de woorden diagnose, ziekte en patiënt worden vervangen. In dat geval dreigt het verhullend taalgebruik te worden, evenals dat bij cliënt het geval is.

Gelukkig zijn psychiatrische patiënten niet gek en hebben ze het taalspel meestal goed in de gaten. Door met een flinke dosis relativering en milde (zelf)spot dezelfde woorden in de mond te nemen, kunnen ze de schade van stigmatiserend of verhullend taalgebruik op creatieve wijze deels tenietdoen.

Onzichtbaar

Waarom is duidelijk en respectvol taalgebruik in de psychiatrie zo lastig? En waarom praat men gemakkelijker op een verjaardag over zijn bezoek aan de cardioloog dan over het gesprek met de psychiater? Ik denk dat daar een aantal redenen voor is.

In de eerste plaats zijn psychiatrische aandoeningen minder concreet zichtbaar te maken dan lichamelijke aandoeningen. Ze zijn niet objectief aantoonbaar met een hartfilmpje of een bloeduitslag. Ze zijn ook niet scherp te lokaliseren in een orgaan. Depressie is bijvoorbeeld niet op dezelfde wijze een hersenziekte als de ziekte van Parkinson. Bij meerderen roept dit de vraag op of een psychiatrische aandoeningen wel echte ziekten zijn.

Daarnaast, en in het verlengde van het voorgaande, heeft een psychiatrische aandoening meer een persoonlijker karakter dan een lichamelijke aandoening. Het komt dichter bij wie je zelf bent. Bij een hartinfarct is de functie van je hart ontregeld; bij een psychiatrische aandoening merk je dat je zelf bent ontregeld. Dit maakt een psychiatrisch aandoening schaamtevol. Een psychiatrische aandoening wordt niet ervaren als het disfunctioneren van een orgaan maar van zichzelf.

Ten slotte kan bij een psychiatrisch aandoening in meer of mindere mate (tijdelijk) het denk- en oordeelsvermogen zijn aangetast. Het zicht op de realiteit kan bijvoorbeeld zijn vertroebeld, of de concentratie is verminderd, of gevolgen van bepaald gedrag worden minder goed overzien. De omgeving kan hierop reageren door minder waarde aan het oordeel van iemand met een psychiatrische ziekte te hechten en de persoon niet voor vol aan te zien.

Het is dus begrijpelijk dat psychiatrische patiënten terughoudend zijn in het praten over hun problemen. Het gevolg kan zijn dat ze onbegrepen en eenzaam door het leven gaan.

Kortom: praten over een psychiatrische aandoening is lastig. Laten we dit niet nog lastiger maken door bij dit onderwerp stigmatiserend of juist verhullend taal­gebruik te bezigen!

De auteur is psychiater bij Eleos. Hij schrijft dit artikel op persoonlijke titel.

Bron: refdag.nl 

Dit bericht is 5916 keer gelezen.

Facebooktwitterlinkedinmail