Onderzoek naar rol psychiatrie bij behandeling zedendelinquenten 1920 – 1970

Facebooktwitterlinkedinmail

forensischezorg3

11 september 2015 – Mede namens de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie biedt staatsecretaris van Rijn de Tweede  Kamer hierbij het rapport “Therapeutische castratie en andere psychiatrische behandelingen van zedendelinquenten 1920-1970” aan.

De centrale vraag van dit onderzoek, zoals die voortvloeit uit de opdracht van ZonMw, kan als volgt geformuleerd worden: Hoe werden in Nederland tussen 1920 en 1970 plegers van seksueel misbruik van minderjarigen (en breder zedendelinquentie) beoordeeld en behandeld in de (forensische) psychiatrie?

Bij brief van 26 april 2012 had de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie de toenmalige staatssecretaris, mevrouw Veldhuijzen van Zanten-Hyllner, verzocht een onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek te laten doen naar de rol van de psychiatrie in brede zin bij de behandeling van plegers van seksueel misbuik bij minderjarigen. Het betreft een breed onderzoek naar zowel de behandeling van zedendelinquenten als de juridische (c.q. gezondheidrechtelijke), medisch- ethische, religieus-historische en beleidsmatige aspecten van onvruchtbaarmaking. Het onderzoek is, onder verantwoordelijkheid van prof. dr. Joost Vijselaar, in twee fasen uitgevoerd, een haalbaarheidsonderzoek en het vervolgonderzoek.

Samenvatting

Het interbellum werd in Nederland gekenmerkt door een zeker naar huidige maatstaven streng moreel en strafrechtelijk klimaat. Sedert de totstandkoming van de conservatieve zedelijkheidswetgeving in 1911 lieten de cijfers een sterke toename van de zedendelinquentie zien, die een brede verontrusting over het verval der zeden voedde. Tegelijkertijd stelde men vast dat het vigerende strafrechtsysteem faalde bij de indamming van deze vormen van misdaad. Zedendelinquenten verbleven langdurig en vaak bij herhaling in detentie. Gevangenisstraf bleek bij deze categorie geen geschikt antwoord. Ook de psychiatrie bood geen afdoende oplossing: het betrof een lastige groep patiënten bij wie modernere vormen van psychotherapie – zoals psychoanalyse – onvoldoende resultaat opleverden. De situatie waarin veel van deze patiënten behandeld werden, zoals onder een voorwaardelijke veroordeling of onder dreiging van contact met justitie, was ongunstig voor een langere effectieve behandeling, waarbij vrijwilligheid als een essentiële voorwaarde gold. De ter-beschikking-stelling van de regering (TBR) die in 1928 werd geïntroduceerd in de verwachting de minder toerekeningsvatbare delinquenten te kunnen resocialiseren, beantwoordde evenmin aan de verwachtingen. De TBR asyls werden in de jaren dertig meer en meer bevolkt door seksuele misdadigers, waaronder velen met een verstandelijke beperking, bij wie de perspectieven op terugkeer naar de samenleving beperkt werden geacht.

Het is in dit licht niet vreemd dat – zoals bleek – de minister van Justitie zelf ‘Het vraagstuk van de doelmatige bestrijding van de zedendelicten’ karakteriseerde als een van ‘de moeilijkste onderdeelen van het strafrecht’. Het gold als een heel lastig pijndossier. Het is mede tegen deze achtergrond dat de introductie van de castratie na 1930 gesitueerd moet worden.

Download “Therapeutische castratie en andere psychiatrische behandelingen van zedendelinquenten 1920-1970″

PDF document | 262 pagina’s | 2,2 MB Rapport | 10-09-2015

Bron: rijksoverheid.nl 

Dit bericht is 1128 keer gelezen.

Facebooktwitterlinkedinmail