Minder autisme met DSM-5

Facebooktwitterlinkedinmail

dsm5

Waarschijnlijk pakt de prevalentie van autismespectrumstoornissen onder DSM-5 lager uit dan onder de diagnostische criteria van DSM-IV . Dat blijkt uit een analyse door een groep Amerikaanse onderzoekers (Matthew Maenner e.a.) waarvan de resultaten online zijn gepubliceerd op de site van JAMA Psychiatry.

In de nieuwe DSM-5 wordt de autistische spectrumstoornis niet meer onderverdeeld in subtypen, zoals autistische stoornis, syndroom van Asperger of PPD-NOS, maar beschouwd als een continuüm van pervasieve ontwikkelingsstoornissen. Verder onderscheidt DSM-5 bij autisme twee ‘domeinen’ van gedrag: afwijkend gedrag op sociaal-communicatief gebied en de mate waarin gedragspatronen, interesses of activiteiten repetitief zijn.

Maenner e.a. maakten gebruik van een project waarin 8- jarige kinderen op een mogelijke autistische of ontwikkelingsstoornis werden onderzocht. Van de bijna 645.000 kinderen die aan dat onderzoek meededen, kregen er 6577 de diagnose autistische spectrum stoornis bij toepassing van de DSM-IV-systematiek. Van hen kregen 5339 (dat is 81,2%) kinderen de diagnose volgens de nieuwe criteria van DSM-5. Dat percentage was gelijk voor jongens en meisjes, maar hoger voor kinderen met, dan voor kinderen zonder een verstandelijke beperking: 86,6 procent versus 72,5 procent.

Omgekeerd bleken 304 kinderen volgens de nieuwe DSM-5-classificatie te voldoen aan de criteria voor een autistische spectrumstoornis, terwijl ze onder de oude criteria niet als zodanig werden gediagnosticeerd. De onderzoekers rekenen voor dat dit neerkomt op een prevalentie 10 per 1000 volgens de DSM-5-criteria. Dat is een lichte daling ten opzichte van de prevalentie bij toepassing van de DSM-IV-criteria: 11,3 per 1000.

Hoogleraar psychiatrie en autisme-expert Rutger Jan van der Gaag (Radboud Universiteit) plaatst de bevindingen in perspectief. Kijk eens, zegt hij, naar de criteria voor autisme in 1981, bij het verschijnen van DSM-III: die waren zeer strikt. Van der Gaag: ‘De diagnose werd bij 4 op de 10.000 individuen gesteld. Via DSM-III-R naar DSM-IV zijn de criteria verruimd, en is ook onder invloed van autisme-onvriendelijke omgevingsfactoren, zoals informatie-overload en een hoog beroep op flexibiliteit, de prevalentie van mensen die gediagnostiseerd worden met een autismespectrumstoornis dramatisch gestegen, tot rond de 1 procent van de bevolking.’

Normen voor stoornissen zijn niet absoluut, waarschuwt Van der Gaag. ‘Zo zijn de huidige normen voor diabetes type II strenger dan tien jaar geleden. Of neem de normen voor hoge bloeddruk: die zijn in 2008 dramatisch veranderd. Voordien dachten talloze mensen dat hun systolische druk van 160 mmHg normaal was, omdat hij minder was dan 100 plus hun kalenderleeftijd. De norm is nu op 140 mmHg gesteld en dat genereert enorme groepen nieuwe patiënten met hoge bloeddruk. Dergelijke verschuivingen in de (interne) geneeskunde roepen weinig maatschappelijke discussie op. De verschuivingen in criteria hangen immers samen met voortschrijdend wetenschappelijk inzicht. In de psychiatrie is dat niet anders, maar daar leiden zulke wijzigingen tot heftige maatschappelijke debatten.’

Fred Volkmar, directeur van het befaamde Yale Child Study Center en als voorzitter van de DSM-IV task force destijds nauw betrokken bij de formulering van diagnostische criteria voor autisme, voorspelde al in 2012 dat het met de komst van DSM-5 moeilijker zou worden de diagnose ‘autistische spectrumstoornis’ te krijgen. Hij heeft gelijk gekregen, aldus Van der Gaag. Dat heeft consequenties: zoals de verlaging van de criteria voor hoge bloeddruk macro-economische gevolgen heeft gehad, omdat veel meer mensen aan de medicatie moeten, zal analoog daaraan ook de verandering van de criteria voor autisme maatschappelijk gevolgen hebben. In twee opzichten: ‘Economische voordelen voor de gemeenschap, maar tegelijkertijd ook dramatische gevolgen voor de betrokkenen bij wie indicaties voor zorg, ondersteuning en scholing komen te vervallen.’ Misschien is het volgens Van der Gaag daarom aan te bevelen ‘nog eens heel goed na te denken over de waarde van classificaties bij indicatiestelling’.

Auteur: Henk Maassen

Bron: medischcontact.artsennet.nl

Dit bericht is 3620 keer gelezen.

Facebooktwitterlinkedinmail