DSM-vrij onderzoek bij ADHD en ASS levert nieuwe inzichten op

Facebooktwitterlinkedinmail

adhd1

Relaties tussen gedrag en cognitie komen beter naar voren wanneer bij het bestuderen van ADHD en ASS geen gebruik wordt gemaakt van de DSM, maar van het gehele continuüm van gedragskenmerken en cognitieve kenmerken. Dat ontdekte Jolanda van der Meer onder andere in haar onderzoek.

Jolanda is senior beleidsmedewerker transformatie jeugdzorg bij het Kenniscentrum kinder- en jeugdpsychiatrie en promoveerde aan de Radboud Universiteit.

Overlap en onderscheid tussen ASS en ADHD

Jolanda onderzocht kinderen en jongeren met en zonder de diagnose ADHD en/of ASS. Het doel van het onderzoek was meer inzicht te krijgen in de overlap en het onderscheid tussen ASS en ADHD, en de bijbehorende cognitieve sterktes en zwaktes. Het DSM-classificatiesysteem liet ze hierbij los, om niet slechts kwantitatief maar ook kwalitatief naar de symptomen en combinaties van symptomen te kunnen kijken. Jolanda bekeek in haar studie het hele continuüm van gedragskenmerken; van geen ADHD-kenmerken tot heel veel ADHD-kenmerken, van geen ASS-kenmerken tot heel veel ASS-kenmerken.

Kwantitatieve in plaats van kwalitatieve verschillen

Kinderen die zowel ADHD- als ASS-symptomen vertoonden, waren door de onderzoeksmethode van Jolanda gedetailleerder te onderscheiden dan op basis van DSM-classificaties. Zo werden er twee subgroepen gevonden die allebei in ernstige mate ADHD- en ASS-symptomen lieten zien, maar waarbij een van beide stoornissen meer op de voorgrond stond. Deze kinderen zouden op basis van de DSM niet te onderscheiden zijn. De verschillen tussen deze twee subgroepen lagen op het gebied van visueel-spatieel functioneren en comorbide gedragsproblemen. Vervolgonderzoek zou in kunnen gaan op de betekenis van deze bevinding voor de ontwikkeling van behandeling op maat.

Een tweede belangrijk resultaat van haar onderzoek is dat de cognitieve profielen van kinderen met weinig versus veel ADHD- en/of ASS-symptomen grotendeels vergelijkbaar zijn. Dat betekent dat de variatie op het continuüm van cognitieve kenmerken kwantitatief en niet kwalitatief van aard is; een destigmatiserende bevinding.

Haar uitkomsten pleiten voor een breder perspectief in toekomstig wetenschappelijk onderzoek, waarbij niet wordt uitgegaan van DSM-classificaties op basis van arbitrair geclassificeerde gedragskenmerken, maar van meer objectiveerbare domeinen zoals het cognitief functioneren.

Proefschrift digitaal beschikbaar

Het proefschrift van Jolanda van der Meer is digitaal beschikbaar:

Neemt u bij vragen en opmerkingen gerust contact op met Jolanda van der Meer via het Kenniscentrum

Bron: persbericht

Dit bericht is 6246 keer gelezen.

Facebooktwitterlinkedinmail