“Chronische depressie begeleiden in eerste lijn”

Facebooktwitterlinkedinmail

Photo illustration by Mindy Ricketts

Patiënten met een chronische depressie worden lang niet altijd optimaal behandeld. Maar zelfs als dat wel het geval is, blijven de klachten soms bestaan. Die categorie patiënten kan beter in de eerste lijn worden begeleid, zegt psychiater Jan Spijker.

Patiënten met chronische depressieve klachten, naar schatting zo’n 300.000 in Nederland, vormen niet de eenvoudigste categorie voor psychiaters. Psychiater Jan Spijker, bijzonder hoogleraar chronische depressie aan de Radboud Universiteit, ontkent het niet: “Het vraagt nogal wat van zowel patiënt als behandelaar om positief te blijven, maar ook realistisch te zijn over wat haalbaar is.” Spijker pleitte in zijn oratie van afgelopen vrijdag 15 februari voor enerzijds betere behandeling en meer onderzoek door psychiaters, anderzijds voor goede opvang in de eerste lijn.

Er valt nog wel het een en ander te ontdekken over chronische depressies, is een boodschap van Spijker: de huidige manier waarop stemmingsstoornissen worden ingedeeld in de DSM-IV, en naar verwachting ook in de DSM-V, voldoet niet meer. Een stageringsmodel biedt meer kansen. En onderzoek dat zich specifiek op chronische depressie richt, is er bijna niet. “Nogal teleurstellend”, vindt Spijker. Terwijl er wel degelijk interventies (zoals mindfulness based cognitieve therapie) zijn, die mogelijk effect kunnen hebben bij chronische depressie. Al dan niet in combinatie met de behandelingen die al beschikbaar zijn, zoals medicatie en psychotherapie.

Spijker heeft zelf bij second opinions gemerkt dat die behandelingen, die in richtlijnen aanbevolen worden, lang niet allemaal zijn uitgevoerd: “Het gevaar bestaat dat er een defaitistische houding ontstaat, een onuitgesproken alliantie van ‘laten we het maar niet doen’. Dan wordt niet voldoende of de verkeerde psychotherapie gegeven, of laat men het erbij na één of twee van de vijf mogelijke medicatiestappen. Neem het toevoegen van lithium aan een antidepressivum. Dat vraagt meer uitleg en meer controles, en daar laat men zich door afschrikken. Maar de helft van de patiënten – die niet op de eerste twee behandelstappen reageerden – reageert er wel goed op. Met goede uitleg valt het echt wel te verkopen dat dit het proberen waard is.”

 

Rehabilitatie

Na optimale behandeling blijft er desondanks een groep patiënten bestaan met chronische klachten. Spijker: “Patiënten die ik spreek, weten het zelf ook wel: het geeft ze misschien een rustig gevoel om de psychiater te zien, maar veel nieuws hebben we ze op een gegeven moment niet meer te bieden. Op dat moment zou de aandacht meer moeten uitgaan naar wat iemand nog wel kan, naar rehabilitatie. Het zou mooi zijn om die mensen gericht te monitoren en hun activiteiten weer te laten opbouwen, met begeleiding vanuit de eerste lijn. Binnen de tweedelijns-ggz wordt toch meer vanuit een ziektemodel gedacht, terwijl de patiënten meer gebaat zijn bij een goede POH-ggz of SPV’er, die zich met de patiënt richt op zelfmanagement. Daar zijn wel goede begeleidingsmodellen voor nodig, die momenteel ontwikkeld worden.”

De structuur van de zorg zou ook moeten veranderen, zegt Spijker: “De afstand tussen de eerste lijn en de ggz is nu te groot. Huisartsen vinden het vaak lastig om de juiste psychiater aan de lijn te krijgen, terwijl de specialist uit het ziekenhuis makkelijker bereikbaar is. Goede consultatie kan echter wel voorkómen dat een patiënt snel wordt terugverwezen bij verslechtering, of bij dreigende suïcidaliteit.”

 

Bron: Medisch Contact © S. Broersen

Dit bericht is 14291 keer gelezen.

Facebooktwitterlinkedinmail